donderdag 5 februari 2015

Quest 1: Trends shaping the future: Ongelijkheid

Ongelijkheid binnen het onderwijs zal altijd een belangrijk onderwerp blijven. De afgelopen jaren is er veel veranderd binnen het onderwijs om alle kinderen zo veel mogelijk kans te bieden. Vanaf de invoering van de leerplicht in 1900 bestaat de vraag wat beter is: inclusief of exclusief onderwijs (Graas, 2008). Uit onderzoek (OC&W, 2006) blijkt dat het wetenschappelijk niet te zeggen is of inclusief of exclusief onderwijs beter is. Vanaf 1900 is gekozen om kinderen met een hulpvraag eerst gescheiden onderwijs aan te bieden om ze daarna te laten participeren in de samenleving (Graas, 2008). Tegenwoordig is het beleid gericht op het samenbrengen van verschillende leefmilieus van de kinderen: thuis, school en in de wijk. Dat gebeurt volgens het Nederlands jeugd instituut (datum onbekend) onder leiding van de jeugdwet, de participatiewet en de wet passend onderwijs. Over de wet passend onderwijs is het volgende vastgelegd in het bestuursakkoord: “De scholen gaan met ingang van 2014-2015 passend onderwijs in de praktijk invoeren, op basis van de ondersteuningsplannen die de samenwerkingsverbanden hebben opgesteld. Uiteindelijk wordt het uitgangspunt van passend onderwijs: een reguliere school waar het kan, en speciaal onderwijs waar nodig.” (OCW, 2014) Dit betekent dat het onderwijs in de afgelopen jaren van exclusief onderwijs richting passend onderwijs, zo veel mogelijk inclusief, aan het gaan is. Het bewijs dat het passend onderwijs effectief zal zijn, wordt hopelijk in de komende jaren gevormd…

Zelf ben ik momenteel voor mijn afstudeerstage als leerkracht in een talentklas aan het werk. Deze talentklas is binnen een basisschool in Tilburg gevestigd en probeert zo goed mogelijk onderwijs te geven aan hoogbegaafde kinderen. Wanneer gekeken wordt naar passend onderwijs is het de bedoeling dat ook hoogbegaafde kinderen zo vaak mogelijk in hun eigen klas kunnen blijven. Momenteel ziet de organisatie van de twee talentklassen binnen Tilburg, Plein 013, echter nog de noodzaak om deze talentklassen te faciliteren. De visie van de organisatie stelt het volgende: “Tegemoet komen aan de specifieke onderwijsbehoeften van hoogbegaafde kinderen, waarbij ze zowel cognitief als sociaal-emotioneel (peergroep) worden uitgedaagd.” (WSNS, 2014) Daarbij geeft de organisatie aan zich niet specifiek te richten op het re-integreren van de kinderen in het reguliere onderwijs. Echter geven de leerkrachten wel aan de kinderen in het regulieren onderwijs te willen hebben, maar het onderwijs is daar volgens hen momenteel niet voldoende op ingericht. Vanuit mijn praktijk is het erg interessant om te bekijken wat nodig zou zijn om het talentonderwijs dat momenteel exclusief onderwijs is, om te kunnen zetten naar inclusief onderwijs.

In een interessant artikel van Mooij (2014) weet hij de vinger op de zere plek te leggen door te verwijzen naar artikel 8.1 van de wet op het primair onderwijs: “Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen”. Vanuit literatuur is bekend dat hoogbegaafde kinderen een andere manier van leren hebben, namelijk topdown leren (Van Kessel, 2008). Daarnaast moet rekening gehouden worden met kenmerkende problematiek zoals aangeleerde hulpeloosheid (De Boer, 2011) en meer moeite met het ontwikkelen van metacognitieve vaardigheden (Bosch-Sthijns, 2009). Dat het ononderbroken ontwikkelingsproces bij meer en hoogbegaafde leerlingen niet altijd goed verloopt, blijkt uit internationale vergelijkingen waarbij deze leerlingen relatief slecht scoren. Wanneer de kinderen mee moeten met het ontwikkelingsproces van de klas, zullen zij niet de kans krijgen om hun talenten volledig te ontwikkelen.

Mooij (2014) komt met een interessante oplossing om het ontwikkelingsproces zo goed mogelijk te laten verlopen. Met behulp van ‘optimaal onderwijs’ wil Mooij (2014) een spel/leeromgeving maken waarin een ordening is gemaakt om specifieke ontwikkelings- en leerprocessen te ondersteunen. Die ontwikkeling kan bijgehouden worden door middel van dubbele diagnostiek door zowel de individuele voortgang van het kind bij te houden als die voortgang te vergelijken met leeftijdsgenoten. Met behulp van dit ‘optimaal onderwijs’ zouden kinderen dus hun eigen ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en daarmee zichzelf zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Natuurlijk moet de inrichting van dit onderwijs nog verder uitgewerkt worden, maar gelukkig wordt daar onderzoek naar gedaan en wie weet wat dat oplevert!

De discussie over het toepassen van exclusief of inclusief onderwijs zal altijd blijven bestaan. In mijn ogen is het van groot belang om de mogelijkheden open te houden. Wanneer duidelijk wordt wat goed bij een kind past, zou het altijd mogelijk moeten zijn om zowel exclusief als inclusief onderwijs toe te kunnen passen. Nieuwe ontwikkelingen zoals ‘optimaal onderwijs’ zijn erg van belang om te achterhalen of die vernieuwingen het onderwijs kunnen verbeteren.

Literatuur:
Bosch-Sthijns, W. (2009). Het ontwikkelen van werk- en leerstrategieën. In E. W. J. M. van Gerven
               (Ed.). Handboek hoogbegaafdheid. Assen: Koninklijke Van Gorcum BV.
De Boer, E. (2011). Leraarcompetenties voor het begeleiden van (hoog)begaafde leerlingen.
(Hoog)begaafde leerlingen over belangrijke competenties van leraren. Radboud Universiteit Nijmegen: Faculteit der Sociale wetenschappen.
Graas, D. (2008). Inclusief en exclusief onderwijs: een historisch heet hangijzer. De wereld van het               jonge kind, 300-303.
Mooij, T. (2014). Recht doen aan verschillen. Optimaal onderwijs voor cognitief hoogbegaafde en
excellente leerlingen. Opgehaald van http://nivoz.nl/artikelen/optimaal-onderwijs-voor-cognitief-hoogbegaafde-en-excellente-leerlingen/ op 05-02-2015.
Nederlands jeugd instituut (datum onbekend). Passend onderwijs en jeugdzorg. Opgehaald van
http://www.nji.nl/Passend-onderwijs-en-jeugdhulp op 05-02-2015.
OCW (2006). Uitwerkingsnotitie vernieuwing zorgstructuren funderend onderwijs. Den Haag:
Ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap.
OCW (2014). Bestuursakkoord voor de sector primair onderwijs. Den Haag: Ministerie van onderwijs,
cultuur en wetenschap.
Van Kessel, A. (2008). Topdown leren, onmogelijk uit te leggen als je niet weet wat bottom-up leren
is. Gevonden op http://ikbenhoogbegaafd.nl/wp-content/uploads/2012/05/TopDown.pdf op 26-06-2014.
WSNS (2014). Beleid Talentklassen. Tilburg: Plein 013.