zondag 15 maart 2015

SWOT talentonderwijs na feedback

Bij quest 2 zijn verschillende scenario’s beschreven die hier terug te vinden zijn. Wij hebben uiteindelijk besloten om scenario 1 verder uit te gaan werken. Op het blog is te lezen hoe de drijvende krachten life long learning en individualisme er in 2030 uit zouden kunnen zien.

Het talentonderwijs heeft als visie: "Tegemoet komen aan specifieke onderwijsbehoeften van hoogbegaafde kinderen, waarbij ze zowel cognitief als sociaal-emotioneel (peergroep) worden uitgedaagd." Met behulp van een SWOT analyse zal ik bekijken wat de sterkten, kansen, zwakten en bedreigingen zijn van het talentonderwijs bij toekomstscenario 1.

Sterkten
Kansen
Portfolio
Individueel leertraject (zelfsturing)
Docent als coach
Digitaal portfolio
21st century skills
Talentontwikkeling
Zwakten
Bedreigingen
Open ruimten
Flexibele onderwijstijden
Brede opleiding
Overal kennis
Flexibele arbeidsmarkt
Diepgang ontbreekt

Sterkten
Binnen het talentonderwijs bevinden zich kinderen van verschillende leeftijden en niveaus (Plein013, 2015). Op dit moment vormen kinderen uit groep 4 t/m 8 samen één groep. In deze groep moet wel sprake zijn van een individueel traject, aangezien kinderen op verschillende momenten in hun leerproces zijn. Eén van de middelen die dit individuele onderwijs ondersteunt, is het weekplan. Met behulp van het weekplan is het mogelijk om ieder kind een eigen pakket met taken te geven die afgestemd zijn op de ontwikkeling van het kind. Vervolgens wordt het individuele leertraject ondersteund doordat het kind zelf probeert zicht te houden op de planning van deze verschillende taken.

De leerkracht heeft hierin een duidelijke rol als coach, aangezien het kind door middel van verschillende leergesprekken gevraagd wordt om terug te kijken op het werken met het weekplan en om verder te kijken wat er misschien aangepast moet worden. Tijdens deze leergesprekken zorgt de leerkracht ervoor dat het kind met oplossingen en antwoorden komt en stuurt vanuit zijn/haar expertise het proces van het kind zo goed mogelijk aan.

Het leerproces van het kind wordt in beeld gebracht met behulp van een portfolio. Het kind vult het portfolio met een opdracht of activiteit waar hij/zij trots op is of waar het kind een bepaald inzicht, kennis of vaardigheid bij op heeft gedaan. Doordat het kind de resultaten aan de ouders vertelt, zal het leerproces ook in woorden vertaald worden. Zowel in woord als in beeld wordt voor het kind duidelijk op welke manier het zich ontwikkeld heeft en waar nog kansen liggen (Easley & Mitchell, 2003).

Kansen
Op het gebied van het portfolio is de organisatie nog zoekend wat betreft de vormgeving en de inhoud. Momenteel is nog sprake van een combinatie tussen rapport en portfolio, waarbij het rapport de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind verder toelicht en toets resultaten weergeven worden. Het is een mooie kans voor de organisatie om het rapport en het portfolio samen te brengen in één digitaal portfolio. Wanneer kinderen de mogelijkheid krijgen om specifieke doelen te behalen, hoeft dat niet met behulp van toetsen te zijn. Het digitale portfolio biedt namelijk meerdere mogelijkheden door activiteiten te filmen en door proces en resultaten direct vast te leggen met behulp van foto’s.

Het onderdeel ICT van de 21st century skills zou op deze manier meteen verder ontwikkeld kunnen worden. Op het gebied van samenwerken, sociale en culturele vaardigheden, communiceren, kritisch denken, creativiteit en probleemoplossend vermogen worden verschillende activiteiten ingezet (Voogt & Pareja, 2010). Met behulp van bijvoorbeeld coöperatieve spellen, SOVA, Rots en water, verschillende logische puzzels en projecten worden aan die vaardigheden gewerkt. Het is van belang om deze activiteiten in te blijven zetten en verder te ontwikkelen. Eén van de aandachtspunten daarbij is het combineren van de activiteiten met ICT. Binnen het talentonderwijs is aandacht voor ICT, maar dat kan verder uitgebreid worden en dit is een mooie kans om dat te doen.

Met behulp van het project talenttijd wordt de talentontwikkeling van de kinderen gestimuleerd (Plein013, 2015). Bij talenttijd mogen de kinderen een onderwerp dat zij interessant vinden verder onderzoeken en tot slot presenteren aan andere kinderen. Bij het toekomstscenario wordt geschetst dat kinderen meer in de praktijk zullen gaan leren. Talenttijd biedt een erg mooie kans om kinderen in de praktijk te laten onderzoeken in plaats van het zoeken in bronnen als internet en boeken wat nu vooral gebeurd. Wanneer kinderen zelf uitzoeken welk bedrijf meer informatie zou kunnen geven over hun onderwerp en wanneer ze zelf bekijken hoe ze daar komen en wanneer, wordt de autonomie gestimuleerd en de praktijk in hun proces betrokken.

Zwakten
Zoals in het toekomstscenario aangegeven is, zullen meer open ruimtes ontstaan waarbinnen kinderen bezig zijn met hun eigen ontwikkelen onder begeleiding van een leerkracht. Wanneer gekeken wordt naar de kinderen binnen het talentonderwijs, valt op dat veel kinderen moeite hebben met het omgaan met veel prikkels. Wanneer steeds meer open ruimtes gevormd zullen worden, zullen steeds meer kinderen bij elkaar komen. Op deze manier zal het voor de kinderen binnen het talentonderwijs moeilijk worden om zich af te sluiten en zich te concentreren op hun leerproces. 

Naast open ruimtes zullen de kinderen en ouders meer gaan bepalen op welk moment ze leren. Uit onderzoek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014) blijkt dat het overgaan naar flexibele onderwijstijden een flinke investering is. Bij dit onderzoek kon slechts 1 van de 11 scholen voldoen aan de juiste randvoorwaarden om flexibele onderwijstijden goed te integreren. Eén van de voorwaarden voor het flexibele onderwijs is dat de organisatie achter het concept staat. Binnen het talentonderwijs staat de organisatie niet achter deze flexibele onderwijstijden, aangezien de kinderen moeite zullen hebben met een structuur die steeds kan veranderen. De verschillende kinderen in de klas en de verschillende onderwijstijden zullen problemen geven bij de vraag naar houvast.

Doordat specialisatie pas later in het onderwijs plaats zal vinden, worden de kinderen binnen het talentonderwijs breed opgeleid. Bij hoogbegaafde kinderen zijn een aantal kenmerken van belang voor het onderwijs dat ze krijgen. Een van die kenmerken is het topdown leren dat de kinderen doen (Van Kessel, 2008). Vanuit een groter geheel ontwikkelen ze de bouwstenen die ze nodig hebben. Wanneer de specialisatie pas later plaats zal vinden, zal het voor de kinderen lastig zijn om het grotere geheel voor zich te zien en naar dat geheel toe te werken.

Bedreigingen
In 2030 zal op steeds meer manieren informatie te verkrijgen zijn en zal de hoeveelheid informatie ook toenemen. Kinderen binnen het talentonderwijs willen vaak precies weten hoe iets in elkaar zit. Wanneer veel informatie te vinden is, zal het voor hen lastig zijn om de belangrijkste informatie eruit te halen. Een leerkracht kan hierin natuurlijk ondersteunen, maar dit neemt niet weg dat kinderen thuis nog verder zoeken en wellicht door de bomen het bos niet meer zien.

Een bijkomend probleem dat kan ontstaan bij een grote hoeveelheid aan informatie, is het ontbreken van diepgang. Wanneer de opdrachten voor de kinderen te oppervlakkig blijven door veel oppervlakkige informatie, zullen de kinderen hun metacognitieve vaardigheden niet in hoeven te zetten. Bosch-Sthijns (2009) geeft aan dat hoogbegaafde kinderen vaker moeite hebben met het ontwikkelen van metacognitieve vaardigheden. Het is aan de leerkracht om de juiste selectie van informatie te maken en te zorgen voor genoeg diepgang om de metacognitieve vaardigheden van de kinderen te blijven ontwikkelen.

Verder zal sprake zijn van een flexibele arbeidsmarkt waarin de kans toegenomen is dat kinderen een aantal keer van baan wisselen of een andere functie krijgen. Zoals Kuipers (2009) beschrijft, hebben hoogbegaafde kinderen meestal een interesse in bepaalde onderwerpen. Wanneer die interesse er is, willen ze alles over dat onderwerp weten en gaan daarmee aan de slag. Op het moment dat de kinderen vaker van baan zullen moeten wisselen, is het risico dat ze hun interesse voor een bepaald beroep of vakgebied niet meer goed kwijt kunnen. Het ontdekken waarom ze bepaalde vaardigheden voor een bepaalde baan moeten leren en het opwekken van nieuwe energie zal bij het wisselen van baan een uitdaging vormen.

Samenhang SWOT
Binnen de SWOT is te zien dat de kansen erg samenhangen met de sterkten van het talentonderwijs. Wanneer de organisatie de kansen meeneemt bij het doorzetten en uitbreiden van de sterke kanten dan ligt daar een mooie manier om als organisatie verder te ontwikkelen. Zo kan bij het verder ontwikkelen van de sterkte portfolio meteen de kans gebruikt worden om een digitaal portfolio te ontwikkelen.

Verder is te merken dat de structuur en het individuele onderwijs dat nu aangeboden wordt, niet overeenkomt met het onderwijs uit 2030. De kracht van het talentonderwijs moet in de toekomst bekeken worden ten opzichte van de veranderde maatschappij waarin de kinderen zich zullen moeten gaan vestigen. Zo kan het talentonderwijs dat momenteel aandacht besteed aan hoe kinderen met elkaar en anderen om kunnen gaan ingezet worden om de zwakte op het gebied van onderwijs in grote groepen op te kunnen vangen.

Literatuur:
Bosch-Sthijns, W. (2009). Het ontwikkelen van werk- en leerstrategieën. In E. W. J. M. van Gerven
               (Ed.). Handboek hoogbegaafdheid. Assen: Koninklijke Van Gorcum BV.
Easley, S. & Mitchell, K. (2003). De waarde van portfolio’s. Canada: Pembroke Publishers.
Kuipers, J. (2009). Van kennisoverdracht naar procesbegeleiding: beter omgaan met hoogbegaafde  
leerlingen. Pulse Primair Onderwijs, 1, 22-24.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2014). Experiment flexibele onderwijstijden
2011-2014. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Plein013. (2015). Beleid talentklassen. Tilburg: Talent in beeld.
Van Kessel, A. (2008). Topdown leren, onmogelijk uit te leggen als je niet weet wat bottom-up leren
is. Gevonden op http://ikbenhoogbegaafd.nl/wp-content/uploads/2012/05/TopDown.pdf op 26-06-2014.
Voogt, J.& Pareja Roblin, N. (2010). 21st Century Skills. Discussienota. Enschede: Universiteit
            Twente.

vrijdag 13 maart 2015

Feedbackvraag voor Mamette

Hoi Mamette,

Is de context goed te volgen wanneer je zelf niet in het PO (en specifiek onderwijs voor hoogbegaafde) werkt?

Groetjes Anne

Feedbackvraag voor Geert

Hoi Geert,

De samenhang van de SWOT heb ik bondig beschreven. Geeft dit voldoende inzicht in de samenhang of zijn er nog wat punten die toegevoegd moeten worden?

Groetjes Anne

SWOT talentonderwijs concept

Bij quest 2 zijn verschillende scenario’s beschreven die hier terug te vinden zijn. Wij hebben uiteindelijk besloten om scenario 1 verder uit te gaan werken. Op het blog is te lezen hoe de drijvende krachten life long learning en individualisme er in 2030 uit zouden kunnen zien. Met behulp van een SWOT analyse zal ik bekijken hoe scenario 1 zich in mijn organisatie zou verlopen.

Sterkten
Kansen
Portfolio
Individueel leertraject (zelfsturing)
Docent als coach
Digitaal portfolio
21st century skills
Talentontwikkeling
Zwakten
Bedreigingen
Open ruimten
Flexibele onderwijstijden
Brede opleiding
Overal kennis
Flexibele arbeidsmarkt
Diepgang ontbreekt

Sterkten

Binnen het talentonderwijs bevinden zich kinderen van verschillende leeftijden en niveaus (Plein013, 2015). Op dit moment vormen kinderen uit groep 4 t/m 8 samen één groep. In deze groep moet wel sprake zijn van een individueel traject, aangezien kinderen op verschillende momenten in hun leerproces zijn. Eén van de middelen die dit individuele onderwijs ondersteunt, is het weekplan. Met behulp van het weekplan is het mogelijk om ieder kind een eigen pakket met taken te geven die afgestemd zijn op de ontwikkeling van het kind. Vervolgens wordt het individuele leertraject ondersteund doordat het kind zelf probeert zicht te houden op de planning van deze verschillende taken.

De leerkracht heeft hierin een duidelijke rol als coach, aangezien het kind door middel van verschillende leergesprekken gevraagd wordt om terug te kijken op het werken met het weekplan en om verder te kijken wat er misschien aangepast moet worden. Tijdens deze leergesprekken zorgt de leerkracht ervoor dat het kind met oplossingen en antwoorden komt en stuurt vanuit zijn/haar expertise het proces van het kind zo goed mogelijk aan.

Het leerproces van het kind wordt in beeld gebracht met behulp van een portfolio. Het kind vult het portfolio met een opdracht of activiteit waar hij/zij trots op is of waar het kind een bepaald inzicht, kennis of vaardigheid bij op heeft gedaan. Doordat het kind de resultaten aan de ouders vertelt, zal het leerproces ook in woorden vertaald worden. Zowel in woord als in beeld wordt voor het kind duidelijk op welke manier het zich ontwikkeld heeft en waar nog kansen liggen (Easley & Mitchell, 2003).

Kansen
Op het gebied van het portfolio is de organisatie nog zoekend wat betreft de vormgeving en de inhoud. Momenteel is nog sprake van een combinatie tussen rapport en portfolio, waarbij het rapport de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind verder toelicht en toets resultaten weergeven worden. Het is een mooie kans voor de organisatie om het rapport en het portfolio samen te brengen in één digitaal portfolio. Wanneer kinderen de mogelijkheid krijgen om specifieke doelen te behalen, hoeft dat niet met behulp van toetsen te zijn. Het digitale portfolio biedt namelijk meerdere mogelijkheden door activiteiten te filmen en door proces en resultaten direct vast te leggen met behulp van foto’s.  

Het onderdeel ICT van de 21st century skills zou op deze manier meteen verder ontwikkeld kunnen worden. Op het gebied van samenwerken, sociale en culturele vaardigheden, communiceren, kritisch denken, creativiteit en probleemoplossend vermogen worden verschillende activiteiten ingezet (Voogt & Pareja, 2010). Met behulp van bijvoorbeeld coöperatieve spellen, SOVA, Rots en water, verschillende logische puzzels en projecten worden aan die vaardigheden gewerkt. Wanneer deze middelen ingezet blijven worden in combinatie met ICT, zullen de kinderen zich goed ontwikkelen op het gebied van 21st century skills.

Met behulp van het project talenttijd wordt de talentontwikkeling van de kinderen gestimuleerd (Plein013, 2015). Bij talenttijd mogen de kinderen een onderwerp dat zij interessant vinden verder onderzoeken en tot slot presenteren aan andere kinderen. Bij het toekomstscenario wordt geschetst dat kinderen meer in de praktijk zullen gaan leren. Talenttijd biedt een erg mooie kans om kinderen in de praktijk te laten onderzoeken. Wanneer kinderen zelf uitzoeken welk bedrijf meer informatie zou kunnen geven over hun onderwerp en wanneer ze zelf bekijken hoe ze daar komen en wanneer, wordt de autonomie gestimuleerd en de praktijk in hun proces betrokken.

Zwakten
Zoals in het toekomstscenario aangegeven is, zullen meer open ruimtes ontstaan waarbinnen kinderen bezig zijn met hun eigen ontwikkelen onder begeleiding van een leerkracht. Wanneer gekeken wordt naar de kinderen binnen het talentonderwijs, valt op dat veel kinderen moeite hebben met het omgaan met veel prikkels. Wanneer steeds meer open ruimtes gevormd zullen worden, zullen steeds meer kinderen bij elkaar komen. Op deze manier zal het voor de kinderen binnen het talentonderwijs moeilijk worden om zich af te sluiten en zich te concentreren op hun leerproces. Het talentonderwijs is momenteel ingericht met een klein aantal leerlingen binnen een groep en ondersteuning over hoe de kinderen met elkaar en anderen om kunnen gaan. De overgang naar grote groepen in grote ruimtes zal lastig zijn voor het talentonderwijs.

Naast open ruimtes zullen de kinderen en ouders meer gaan bepalen op welk moment ze leren. Uit onderzoek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014) blijkt dat het overgaan naar flexibele onderwijstijden een flinke investering is. Bij dit onderzoek kon slechts 1 van de 11 scholen voldoen aan de juiste randvoorwaarden om flexibele onderwijstijden goed te integreren. Eén van de voorwaarden voor het flexibele onderwijs is dat de organisatie achter het concept staat. Binnen het talentonderwijs staat de organisatie niet achter deze flexibele onderwijstijden, aangezien de kinderen moeite zullen hebben met een structuur die steeds kan veranderen. De verschillende kinderen in de klas en de verschillende onderwijstijden kunnen problemen geven bij de vraag naar houvast.

Doordat specialisatie pas later in het onderwijs plaats zal vinden, worden de kinderen binnen het talentonderwijs breed opgeleid. Bij hoogbegaafde kinderen zijn een aantal kenmerken van belang voor het onderwijs dat ze krijgen. Een van die kenmerken is het topdown leren dat de kinderen doen (Van Kessel, 2008). Vanuit een groter geheel ontwikkelen ze de bouwstenen die ze nodig hebben. Wanneer de specialisatie pas later plaats zal vinden, zal het voor de kinderen lastiger zijn om het grotere geheel voor zich te zien en naar dat geheel toe te werken.

Bedreigingen

In 2030 zal op steeds meer manieren informatie te verkrijgen zijn en zal de hoeveelheid informatie ook toenemen. Kinderen binnen het talentonderwijs willen vaak precies weten hoe iets in elkaar zit. Wanneer veel informatie te vinden is, zal het voor hen lastig zijn om de belangrijkste informatie eruit te halen. Een leerkracht kan hierin natuurlijk ondersteunen, maar dit neemt niet weg dat kinderen thuis nog verder zoeken en wellicht door de bomen het bos niet meer zien.

Een bijkomend probleem dat kan ontstaan bij een grote hoeveelheid aan informatie, is het ontbreken van diepgang. Wanneer de opdrachten voor de kinderen te oppervlakkig blijven door veel oppervlakkige informatie, zullen de kinderen hun metacognitieve vaardigheden niet in hoeven te zetten. Bosch-Sthijns (2009) geeft aan dat hoogbegaafde kinderen vaker moeite hebben met het ontwikkelen van metacognitieve vaardigheden. Het is aan de leerkracht om de juiste selectie van informatie te maken en te zorgen voor genoeg diepgang om de metacognitieve vaardigheden van de kinderen te blijven ontwikkelen.

Verder zal sprake zijn van een flexibele arbeidsmarkt waarin de kans toegenomen is dat kinderen een aantal keer van baan wisselen of een andere functie krijgen. Zoals Kuipers (2009) beschrijft, hebben hoogbegaafde kinderen meestal een interesse in bepaalde onderwerpen. Wanneer die interesse er is, willen ze alles over dat onderwerp weten en gaan daarmee aan de slag. Op het moment dat de kinderen vaker van baan zullen moeten wisselen, is het risico dat ze hun interesse voor een bepaald beroep of vakgebied niet meer goed kwijt kunnen. Het ontdekken waarom ze bepaalde vaardigheden voor een bepaalde baan moeten leren en het opwekken van nieuwe energie zal bij het wisselen van baan een uitdaging vormen.

Samenhang SWOT

Binnen de SWOT is te zien dat de kansen erg samenhangen met de sterkten van het talentonderwijs. Wanneer de organisatie de kansen meeneemt bij het doorzetten en uitbreiden van de sterke kanten dan ligt daar een mooie manier om als organisatie verder te ontwikkelen.

Verder is te merken dat de structuur en het individuele onderwijs dat nu aangeboden wordt, niet overeenkomt met het onderwijs uit 2030 waarin zich grote ruimtes met meer kinderen ontstaan en waarin kinderen wellicht zelf mogen bepalen op welke momenten ze naar school komen. De kracht van het talentonderwijs moet in de toekomst bekeken worden ten opzichte van de veranderde maatschappij waarin de kinderen zich zullen moeten gaan vestigen.

Literatuur:
Bosch-Sthijns, W. (2009). Het ontwikkelen van werk- en leerstrategieën. In E. W. J. M. van Gerven
               (Ed.). Handboek hoogbegaafdheid. Assen: Koninklijke Van Gorcum BV.
Easley, S. & Mitchell, K. (2003). De waarde van portfolio’s. Canada: Pembroke Publishers.
Kuipers, J. (2009). Van kennisoverdracht naar procesbegeleiding: beter omgaan met hoogbegaafde
leerlingen. Pulse Primair Onderwijs, 1, 22-24.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2014). Experiment flexibele onderwijstijden
2011-2014. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Plein013. (2015). Beleid talentklassen. Tilburg: Talent in beeld.
Van Kessel, A. (2008). Topdown leren, onmogelijk uit te leggen als je niet weet wat bottom-up leren
is. Gevonden op http://ikbenhoogbegaafd.nl/wp-content/uploads/2012/05/TopDown.pdf op 26-06-2014.
Voogt, J.& Pareja Roblin, N. (2010). 21st Century Skills. Discussienota. Enschede: Universiteit Twente.

zondag 1 maart 2015

Feedbackvraag voor Patrick

Hoi Patrick,

In mijn individuele uitwerking van quest 2 heb ik geprobeerd het scenario compact te omschrijven. Zijn de scenario's volledig genoeg of mis je nog iets?

Groetjes Anne

Feedbackvraag voor Myriam

Hoi Myriam,

In de individuele uitwerking van quest 2 heb ik gebruik gemaakt van een vrij concrete omschrijving. Is het scenario dat ik schets daarmee duidelijk?

Groetjes Anne

Quest 2: Individuele uitwerking scenario's

Vanuit het toekomstsjabloon met de drijvende krachten zijn vier verschillende scenario’s ontstaan. De verschillende scenario’s hebben hieronder allemaal een eigen naam en beeld gekregen en worden verder toegelicht op basis van het primair onderwijs.

1.      Zelfverantwoordelijk talent
Met behulp van een digitaal portfolio wordt het onderwijs op het individuele kind afgestemd en kan het zelf een weg uitstippelen om talent het hele leven lang verder te ontwikkelen.

2.      Vroege werkers
Kinderen leren eerder de basisvaardigheden van een beroep, waardoor de mogelijkheid ontstaat om ook de meer complexe vaardigheden individueel binnen een afgebakend leertraject aan te bieden.

3.      Probleemoplossend collectief
Kinderen worden op basis van verschillende kwaliteiten bij elkaar gezet om als collectief binnen een afgebakend leertraject een probleem gericht op de praktijk op te gaan lossen.

4.      Kwalitatief talententeam
De verschillende expertises van scholen wordt ingezet om kinderen zo goed mogelijk te kunnen ondersteunen en de samenwerking met de gemeente daagt een groep samenwerkende kinderen uit om vaardigheden te leren die ze hun hele leven kunnen gebruiken.

Zelfverantwoordelijk talent
Ook vandaag gaat mijn tablet weer mee naar school met daarop een volledig afgestemd programma op basis van mijn digitale portfolio. Bij ieder vak vorm ik samen met andere kinderen een klein groepje om verder te werken. De leerkracht geeft niet meer aan iedereen instructie, maar komt bij ieder groepje langs om nieuwe uitleg te geven. Ik doe mijn best om de doelen op korte termijn te behalen door zelf aan de slag te gaan na de instructie. Niet alleen bij de verschillende vakken, maar ook op lange termijn heb ik doelen voor mezelf gesteld. Mijn digitale portfolio neem ik gewoon mee naar de middelbare school en ook naar het beroepsonderwijs, zodat ook die leerkrachten weten waar ik aan gewerkt heb en hoe dat gegaan is. Met behulp van het portfolio bekijk ik waar ik goed in ben en hoe ik dat verder wil ontwikkelen. Samen met de leerkracht worden mijn plannen verder uitgewerkt en krijg ik de kans om mijn talenten verder te ontwikkelen. Ik ben zelf verantwoordelijk om de tijd die ik hiervoor krijg goed in te zetten en op zoek te gaan naar goede mogelijkheden bij bijvoorbeeld een bedrijf of een organisatie. Zo kan ik bedenken hoe ik binnen een bedrijf zou kunnen helpen en samen met de leerkracht bepalen op welk moment ik daarvoor bij het bedrijf terecht zou kunnen. Op deze manier leer ik heel wat mensen kennen die mij later misschien ook nog wel kunnen helpen!

Een portfolio biedt de mogelijkheid om een gedetailleerd beeld te geven van het leerproces van een kind. Niet alleen de kennis en vaardigheden komen naar voren in een portfolio, want ook de kwaliteit van het werk en het proces naar dat resultaat toe zijn zichtbaar (Easley, 2003). Met behulp van dit inzicht is het voor zowel leerkracht als leerling mogelijk om heel het leven het portfolio verder te ontwikkelen en nieuwe doelen te stellen. Het gebruik van ICT (bijvoorbeeld door middel van een tablet) geeft de mogelijkheid om de leerprestatie, leersnelheid en motivatie van de leerlingen toe te laten nemen. Schampaert (2013) geeft aan dat door het snellere leren met behulp van ICT meer tijd over is voor interactie en samenwerking met de buitenwereld. Die tijd kan met behulp van die interactie en samenwerking goed ingezet worden om talenten verder te ontwikkelen.

Vroege werkers
De komende periode staan weer andere beroepen centraal en ik ben benieuwd uit welke beroepen we kunnen kiezen! Met kinderen uit verschillende klassen mogen we een kijkje gaan nemen bij verschillende bedrijven en organisaties, zodat ik kan ontdekken of het beroep iets voor mij zou zijn. Zowel nu als op de middelbare school is tijd vrij gemaakt om alvast een aantal belangrijke vaardigheden van dat beroep te leren. Op die manier kan het bedrijf mij tijdens de beroepsopleiding die ik volg nog meer vaardigheden leren, zodat ik een werknemen ben die heel flexibel is.

Binnen het werkveld zijn enkele onderzoeken gedaan over flexicurity waarbij gekeken wordt naar de flexibiliteit en zekerheid voor een organisatie en de werknemer. Van werknemers worden namelijk complexere vaardigheden verwacht vanwege een flexibele markt. Schalk en Raeder (2011) geven aan dat de betrokkenheid en tevredenheid belangrijk zijn voor mensen om zich voor een bedrijf in te zetten en zich in te blijven zetten. Wanneer kinderen al vroeg een richting kiezen qua beroep is het mogelijk om eerder de basisvaardigheden aan te leren en daardoor ook ruimte is voor het aanleren van de meer complexe vaardigheden. De kinderen zullen hierin uitdaging tegen komen en meer mogelijkheden van het beroep zien. Dit zal stimulerend werken op gebied van de betrokkenheid en tevredenheid en op die manier ontstaat flexibiliteit en zekerheid voor zowel werknemer als organisatie.

Probleemoplossend collectief
Aan het begin van het jaar heb ik met behulp van het kwaliteitenspel mijn eigen kwaliteiten op papier gezet. Ook alle andere kinderen uit de klas hebben dat gedaan en op die manier werd duidelijk waar iedereen goed in is. Nu vorm ik samen met een aantal kinderen een groepje met allerlei verschillende kwaliteiten bij elkaar, zodat we elkaar goed kunnen helpen. Iedere periode kiezen we samen een bedrijf of organisatie uit waar we interesse in hebben. We bedenken waar het bedrijf of de organisatie voor problemen kan hebben en besluiten voor welk probleem we samen een oplossing uit gaan werken. Door het oplossen van de problemen komen we erachter wat je voor verschillende beroepen moet kunnen en leren we al een aantal basisvaardigheden. Samen proberen we goed te overleggen en met allerlei interessante oplossingen voor het probleem te komen.

Slaats (2015) geeft aan dat het concept “Crazy Friday” al binnen een aantal bedrijven en organisaties gebruikt wordt en dat de uitkomsten erg goed zijn. Op een “Crazy Friday” krijgen werknemers de ruimte om een probleem op te lossen met behulp van samenwerking. De opdracht komt niet vanuit de werkgever, maar vanuit interesses van de werknemers zelf. Werkgevers zullen steeds meer mensen willen die productief kunnen zijn op een "Crazy Friday". Wanneer kinderen zelf bedenken wat voor problemen een bedrijf of organisatie tegen zal komen, zullen ze meer gemotiveerd zijn om het probleem op te lossen dan wanneer het aangedragen wordt.

Kwalitatief talententeam
Op deze ochtend in de week mag ik naar een andere school toe. Iedere school heeft gekeken op welk gebied ze expertise hebben en op die manier is duidelijk geworden waar ik terecht kan voor uitdaging bij de vakken en gebieden die mij goed af gaan en waar ik wat hulp kan krijgen voor de dingen die ik nu nog niet zo goed kan. De samenwerking tussen mijn school en de gemeente verloopt erg goed. Samen met andere basisscholen helpen wij onze gemeente met verschillende projecten. De ene keer zijn we bezig met het verzorgen van alle planten en de andere keer mogen we meedenken over een nieuw gebouw dat geplaatst gaat worden. Op die manier worden veel verschillende vaardigheden van mij verwacht die ik hopelijk nog heel mijn leven kan gebruiken!

In het bestuursakkoord voor de sector primair onderwijs is het volgende te lezen: “De scholen gaan met ingang van 2014-2015 passend onderwijs in de praktijk invoeren, op basis van de ondersteuningsplannen die de samenwerkingsverbanden hebben opgesteld.” (OCW, 2014) Binnen een samenwerkingsverband wordt bekeken waar de sterke en minder sterke punten van een school liggen. Wanneer de scholen een duidelijk plan op kunnen stellen op welke school een expertise verder ontwikkeld wordt, is het mogelijk om de leerlingen zo veel mogelijk te bieden. Om de ontwikkeling van de brede school te ondersteunen hebben het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap en het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid een steunpunt brede scholen opgericht (OCW en SZW, datum onbekend). Met behulp van de brede school vindt onderwijs zoveel mogelijk in de omgeving van het kind plaats door als school een samenwerking aan te gaan met verschillende instanties zoals de buitenschoolse opvang of een sportvereniging. Momenteel zijn de brede scholen in opkomst en die ontwikkeling zal zich doorzetten naar uitsluitend brede scholen. De brede scholen die erbij komen kunnen uitgebreid worden met meer samenwerking met de gemeente om op die manier meer diverse activiteiten plaats te laten vinden. De scholen krijgen zo de kans om verschillende talenten van kinderen te ontwikkelen en de gemeente krijgt de kans om de scholen samen voor de gemeente te laten zorgen.




Literatuur:
Easley, S. & Mitchell, K. (2003). De waarde van portfolio’s. Canada: Pembroke Publishers.
OCW (2014). Bestuursakkoord voor de sector primair onderwijs. Den Haag: Ministerie van onderwijs,
cultuur en wetenschap.
OCW & SZW (datum onbekend). Landelijk steunpunt brede scholen. Opgehaald van
Schalk, R. & Raeder, S. (2011). Flexicurity gemeten. Een vragenlijst over flexibiliteit en zekerheid
voor organisatie en werknemer. Gedrag & Organisatie, 24(3), 286-303. 
Schampaert, R. (2013). Werken met de iPad in het onderwijs (masterscriptie). Eindhoven: Technische
Universiteit.
Slaats, E. (2015). Onderwijs in de toekomst. Eindhoven: MLI.